Gebouwen die niet verduurzamen, dreigen economisch minder waard te worden of zelfs onverkoopbaar.
Gebouwen die niet verduurzamen, dreigen economisch minder waard te worden of zelfs onverkoopbaar.

De verduurzaming van de utiliteitsbouw krijgt eindelijk een centrale plek in het klimaatbeleid. Dat blijkt uit een gesprek met TNO-onderzoekers Marijke Menkveld en Maarten van Schie in de podcast De energietransitie uitgelegd van Energy.nl. Nieuwe Europese regelgeving maakt dat utiliteitsgebouwen versneld moeten verduurzamen.

In Nederland staan circa 1,2 miljoen utiliteitsgebouwen, variërend van winkels en sporthallen tot ziekenhuizen en bedrijfshallen. Samen zijn zij verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de CO₂-uitstoot in de gebouwde omgeving, wat neerkomt op zo’n 5 à 6 megaton per jaar. De grote diversiteit aan gebouwen maakt beleid complexer dan bij woningen: het energiegebruik van een kerk, een datacenter en een basisschool verschilt sterk, zowel in omvang als in functie (ruimteverwarming versus procesenergie).

Harde normen

Een belangrijke omslag komt vanuit Europa. In de herziene Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) wordt vastgelegd dat lidstaten minimale energieprestatie-eisen moeten invoeren voor utiliteitsbouw. Concreet betekent dit dat in 2030 de slechtst presterende 16 procent van deze gebouwen moet zijn verduurzaamd, oplopend naar 26 procent in 2033. Nederland werkt momenteel uit welke labels en gebouwtypen daar precies onder gaan vallen. Daarmee verschuift utiliteitsbouw van een ‘restpost’ in de statistieken naar een sector met harde normen.

Financiering

Naast regelgeving spelen financiële prikkels een steeds grotere rol. Banken en verzekeraars koppelen herfinanciering en verzekerbaarheid vaker aan energielabels. Gebouwen die niet verduurzamen, dreigen economisch minder waard te worden of zelfs onverkoopbaar. Tegelijkertijd wordt de bestaande energiebesparingsplicht uit de Wet milieubeheer actiever gehandhaafd door omgevingsdiensten. Bedrijven en instellingen moeten alle maatregelen nemen die zich binnen vijf jaar terugverdienen.

Subsidies helpen, maar zijn niet altijd voldoende. Via de Dumava-regeling is jaarlijks enkele honderden miljoenen euro’s beschikbaar voor maatschappelijk vastgoed, zoals scholen en ziekenhuizen. Die subsidie dekt ongeveer 30 procent van de investering; de rest moet door instellingen zelf worden gefinancierd. Vooral in sectoren met krappe budgetten blijft dat een knelpunt. Daar komt bij dat netcongestie een nieuwe rem zet op elektrificatie: overstappen van gas naar elektrische oplossingen lukt niet altijd door gebrek aan netcapaciteit.

Aanjagerssrol

Volgens TNO liggen er juist kansen in het inzetten van utiliteitsgebouwen als aanjagers van de warmtetransitie in wijken. Hun warmtevraag is vaak vele malen groter dan die van woningen, waardoor aansluiting op warmtenetten of collectieve systemen sneller rendabel is. Grote gebouwen beschikken bovendien over technische ruimtes voor installaties zoals batterijen of warmteopslag. Zo fungeerde Ahoy Rotterdam als een van de eerste grote afnemers van het lokale warmtenet.

De boodschap is helder: utiliteitsbouw is geen bijzaak meer in de energietransitie. Met Europese normen, financiële druk vanuit de markt en groeiende aandacht in beleid staat de sector voor een inhaalslag.